Forum Pan-European.be

Pan European

SERVICE INFORMATIE

 

ALGEMEEN

·     Plaats de moto op een vlakke ondergrond alvorens de werken te starten.

  • Benzine is licht ontvlambaar en explosief, wees voorzichtig
  • Werk in een geventileerde omgeving en niet roken.
  • Koolmonoxide is giftig bij inademing.

SPECIFICATIES

 

 

ITEM

 

SPECIFICATIES

Speling van de gashendel

 

 

2 - 6 mm

Bougies

NGK

 

CR7EH-9 (CR8EH-9)

 

DENSO

 

W22FER9 (W24FER9)

Bougie opening

 

 

0,80 - 0,90 mm

Klepspeling

 

Inlaat

0,16  ± 0,03 mm

 

 

Uitlaat

0,25  ± 0,03 mm

Motorolie

 

Na aftappen

3,6 l

Capaciteit

 

Na aftappen/oliefilter

3,9 l

Aanbevolen motorolie

 

 

4 takt motorolie

 

 

 

API   SE, SF of hoger

 

 

 

Viscositeit: SAE 10W-40

Stationair toerental

 

 

1000 tr /min

Aanbevolen remvloeistof

 

 

DOT 4 remvloeistof

Banden maat

 

Voor

120/70 ZR 18 M/C ((59W)

 

 

Achter

170/60 ZR 17 M/C (72W)

Banden merk

Bridgestone

Voor

BT020F F

 

 

Achter

BT020R F

 

Dunlop

Voor

D220FST L

 

 

Achter

D220ST L

Bandendruk

 

Voor

2,9 bar

 

 

Achter

2,9 bar

Minimum Profieldiepte banden

 

Voor

1,5 mm

 

 

Achter

2,0 mm

 

AANHAALMOMENTEN

 

Beschermkap timing klepspeling                                  10 Nm             Invetten schroefdraad

Beschermkap krukas                                                  12 Nm             Invetten schroefdraad

Bougies                                                                      16 Nm

Cilinderkop bouten                                                     10 Nm

Olieaftapplug                                                              29 Nm

Oliefilter                                                                      26 Nm             Insmeren met propere motorolie van

                                                                                                          Schroefdraad en rubberen afdichtring

Luchtfilterdeksel schroeven                                         1 Nm

Eindoverbrengingsolieschroef                           12 Nm

Eindoverbrengings aftapschroef                                   20 Nm

Achterste hoofdremcilinder afstelschroef                      18 Nm

 

GEREEDSCHAP

Oliefilter sleutel

           

ONDERHOUDSSCHEMA

Voer de inspectie voor het rijden op iedere voorgeschreven onderhoudsbeurt uit.

I: Inspecteren en reinigen, Afstellen, Smeren of vernieuwen indien nodig. C: Reinigen. R: Vernieuwen

A: Afstellen. L: Smeren.

 

Interval

       Onderhoudspunten

Wat het eerst à

voorkomt

Kilometerstand (Opmerking 1)

 

 

 

x1000km

1

6

12

18

24

30

36

Zie Blz.

 

 

Opm.

Maanden

 

6

12

18

24

30

36

 

*

Benzineleiding

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-5

*

Werking van gashendel

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-5

*

Luchtfilter

2

 

 

 

 

R

 

 

R

3-6

 

Bougies

 

 

 

 

I

 

R

 

I

3-6

 

Klepspeling

 

 

 

 

 

 

I

 

 

3-8

 

Motorolie

 

 

R

 

R

 

R

 

R

3-11

 

Motoroliefilter

 

 

R

 

R

 

R

 

R

3-12

 

Stationair toerental

 

 

I

I

I

I

I

I

I

3-14

 

Koelvloeistof in radiator

3

 

 

 

I

 

I

 

R

3-14

*

Koelsysteem

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-15

*

Secundair luchttoevoersysteem

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-16

 

Cardanolie

 

 

 

 

I

 

I

 

R

3-17

 

Remvloeistof

3

 

 

I

I

R

I

I

R

3-18

 

Slijtage van remblokken

 

 

I

I

I

I

I

I

I

3-19

 

Remsysteem

 

 

I

 

I

 

I

 

I

3-20

*

Remlichtschakelaar

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-21

*

Koplamp richten

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-22

 

Koppelingssysteem

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-22

 

Koppelingsvloeistof

3

 

 

I

I

R

I

I

R

3-22

 

Zijstandaard

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-23

*

Vering

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-23

*

Moeren, bouten, bevestigingsdelen

 

 

I

 

I

 

I

 

I

3-25

**

Wielen, banden

 

 

 

 

I

 

I

 

I

3-25

**

Balhoofdlagers

 

 

I

 

I

 

I

 

I

3-26

 

 

Opmerkingen:

  1. Voor hogere kilometer standen herhaal op het hier aangegeven interval.
  2. Vaker onderhoud vereist wanneer er vaak in buitengewone vochtige of stoffige omgeving met de motorfiets wordt gereden.
  3. Vernieuw om de 2 jaar of op de aangegeven kilometerstanden wat het eerst voorkomt. Voor het vernieuwen is mechanische vaardigheid vereist.

 

 

 

  • *   Te onderhouden door een Honda dealer. Tenzij u zelf mechanisch bevoegd bent en over het

                  vereiste gereedschap en de noodzakelijke onderhoudsgegevens beschikt.

  • **  In het belang van uw veiligheid wordt u aanbevolen, dat deze onderdelen uitsluitend door een

                  Honda dealer worden onderhouden.

 

BENZINE LEIDING

Verwijder het zadel

Zet de zadel hoogtesteller in de middenpositie.

Schroef de scharnierbout achterkant benzinetank los.

Verwijder de twee benzinetankbouten en rondsels.

Verwijder beide bouten van het stuurwiel.

Duw de benzinetank achterwaarts.

Til de benzinetank op en steek de brandstoftanksteun tussen de tank en het stuurwiel

Controleer de benzineleidingen op beschadigingen en lekkage. Vervang de benzineleiding indien nodig. Controleer ook de benzineleiding fittings op lekkage.

Verwijder de supportstaaf, en laat de benzinetank terug naar beneden.

Duw de benzine tank terug naar voren. Monteer de benzine tank terug in de omgekeerde volgorde van demontage.

 

 

WERKING VAN DE GASHENDEL

Controleer de goede werking van de gashendel in beide stuurstanden, gemakkelijk van helemaal open naar helemaal dicht gedraaid kan worden. Dicht moet automatisch gebeuren.

Controleer de gaskabels en vervang ze bij beschadiging of slechte werking..

Smeer de gaskabels indien de gas open en toe draaien niet op een zachte en vlotte manier gebeurd.

Meet de vrije speling van de gashendel bij de flens van de gashendel.

Vrije speling: 2 – 6 mm

 

De gasspeling kan afgesteld worden aan ieder uiteinde van de gaskabels.

Kleine afstelling kan gebeuren met de afstelschroef aan de gashendel. De borgmoer lossen en de afsteller verdraaien.

Anders verwijder de luchtfilter.

Stel de vrije speling af door de borgmoer te lossen en de afsteller verdraaien.

Na het afstellen de borgmoer goed aandraaien.

Hercontroleer de gashendel werking.

Vervang alle beschadigde delen indien  nodig.

 

 

LUCHTFILTER

Verwijder het zadel.

Zet de zadel hoogtesteller in de middenpositie.

Schroef de benzinetank schroef achterkant los.

Verwijder de twee benzinetankbouten en rondsels.

Verwijder beide bouten van het stuurwiel.

Duw de benzinetank achterwaarts.

Til de benzinetank op en steek de supportstaaf tussen de tank en het stuurwiel

Verwijder de IAT sensor van het luchtfilter huis.

Verwijder de schroeven en luchtfilterdeksel.

 

Verwijder het luchtfilterelement in  overeenstemming met het onderhoudsschema.

Alsook indien beschadigd.

Monteer de gedemonteerde delen in omgekeerde volgorde.

Draai de  schroeven van het luchtfilter deksel nauwkeurig vast.

 

Aandraaimoment: 1 Nm

 

 

BOUGIES

NOOT:

Alvorens de bougies uit te draaien eerst rond de bougie alles goed proper maken met compressor lucht om te beletten dat eventueel opgehoopt vuil in de cilinder zou terecht komen.

 

VERWIJDEREN

Verwijder het onderhoudsdeksel.

Verwijder het bovenkopdeksel.

Verwijder de bougiedoppen.

Verwijder de bougies met een passende bougiesleutel.

Controleer de bougies of vervang indien nodig volgens het onderhoudsschema.

 

CONTROLEREN

Controleer het volgende en vervang indien nodig:

    • Isolator op beschadiging
    • Elektroden op slijtage
    • Inbranding, verkleuring;

·      Donker tot licht bruin is goed

·      Overdreven lichtheid geeft aan slecht functioneren ontstekingssysteem of te arm mengsel

·      Vochtig of zwarte roetaanslag geeft aan een te rijk mengsel

 

HERBRUIKEN VAN EEN BOUGIE

Reinig de elektrodes van de bougies met een koperen borstel.

Controleer de elektrodeafstand met een voelermaat.

Indien nodig, stel de elektrodeafstand juist door de zijelektrode voorzichtig open of toe te bewegen.

 

Elektrodeafstand bougie:  0.80 – 0.90 mm

 

WAARSCHUWING

 

 

Om de schroefdraad in de cilinderkop niet te beschadigen de bougie eerst met de hand indraaien alvorens een bougiesleutel te gebruiken.

 

 

Draai de bougies met de hand in de cilinderkop, daarna met het gepaste moment aandraaien.

Of na met de hand aandraaien nog een 1/8 tot ¼ draai met de sleutel.

Aanhaalmoment: 16 Nm

 

NIEUWE BOUGIES PLAATSEN:

 

Stel de juiste elektrodeafstand met een voelermaat.

Draai de bougie met de hand vast en dan met een bougiesleutel nog een halve draai.

 

Zet de bougiedoppen terug op de bougies.

 

 

KLEPSPELING

 

CONTROLEREN

 

Controleer en stel de klepspeling steeds af met een koude motor (onder de 35°)

 

Verwijder het cilinderkopdeksel.

Verwijder regelopeningdop en krukasopeningdop en de O-ringen.

Draai de krukas tegenwijzerszin, tot het T1 merk zichtbaar is en tegenover  het merkteken op het voorste krukasdeksel.

Wees zeker dat cilinder Nr. 1 in zijn bovenste dode punt staat op kompressie.

Steek de voelermaat tussen de kleplifter en de nokkenas en controleer de klepspeling van cilinder NR. 1

 

KLEPSPELING:

Inlaat:             0.16   ± 0.03mm

Uitlaat:           0.25   ± 0.03mm

 

Draai de krukas tegenwijzerszin ¼ toer (90°), tot het merkteken T2 tegenover het merkteken op het voorste krukasdeksel staat.

Controleer de klepspeling van cilinder Nr. 4.

 

Draai de krukas tegenwijzerszin ¾ toer (270°), tot het merkteken T1 tegenover het merkteken op het voorste krukasdeksel.

Controleer de klepspeling van cilinder Nr. 3.

 

Draai de krukas tegenwijzerszin ¼ toer (90°), tot het merkteken T2 tegenover het merkteken op het voorste krukasdeksel.

Controleer de klepspeling van cilinder Nr. 2.

 

AFSTELLING INDIEN NODIG

 

Zie blz. 3-10 in het Honda werkplaatshandboek.

 

 

MOTOROLIE EN OLIEFILTER

 

OLIEPIJL KONTROLEREN

Start de motor en laat hem op stationair toerental 3- 5 minuten lopen.

Leg de motor stil en zet hem op de middenstandaard op een vlakke ondergrond en wacht 2-3 minuten en controleer het oliepijl in het inspektievenster.

Is het oliepijl onder de onderste niveaustreep, vul overeenstemmende olie bij tot aan de bovenste niveaustreep. Hiertoe het rechter onderhoudsdeksel, het cilinderkopdeksel en de olievuldop verwijderen.

Zorg dat u niet teveel bijvult.

 

AANBEVOLEN MOTOROLIE

Gebruik allen kwaliteitsolie die aan API-classificatie SF, SG of hoger voldoet.

Viscositeit: SAE 10W-40

 

 

OLIE EN OLIEFILTER VERVANGEN

Warm de motor om de olie zosnel en volledig mogelijk te kunnen aftappen.

Zet de motor op de middenstandaard., en verwijder de olievuldop.

Verwijder de carteraftapplug en de sluitring. Verwijder de oliefilter met een filtersleutel en voer de resterende olie af.

Smeer een dun laagje olie op de afsluitring van de nieuwe oliefilter. Zet de olie filter vast met de sleutel. Draai de filter aan met een kracht van 26 Nm.

Controleer of de afdichtring op de aftapplug in goede staat is, anders vervangen en monteer de aftapplug. Aanhaal moment: 29 Nm

 

Vul het oliecarter met de aanbevolen olie.

Hoeveelheid:

3,6 liter na aftappen

3,9 liter na aftappen + nieuwe oliefilter.

 

Start de motor en laat hem 2 a 3 minuten draaien op stationair toerental.

Stop de motor en controleer het oliepijl.

Kijk of er geen olielekken zijn.

 

STATIONAIR TOERENTAL

Controleer  het stationair toerental als al de ander onderhoudswerkzaamheden aan de motor gedaan zijn.

De motor moet op bedrijfstemperatuur zijn voor een goede afstelling.

Stel het toerental af met de gasklepschroef.

Stationair toerental: 1000 tr /min

 

KOELVLOEISTOF EN RADIATOR

Controleer het koelvloeistofpeil in het koelvloeistofreservoir als de motor op bedrijfstemperatuur is. Voeg vloeistof toe aan het reservoir om het pijl tot aan de markering UPPER te brengen indien nodig.

Als het koelvloeistofreservoir leeg is of als er buitensporig veel koelvloeistof verloren gaat, controleer het systeem dan op lekkage.

Aanbevolen koelvloeistof:

Hoge kwaliteits ethylene glycol antivries

 

KOELSYSTEEM

Verwijder de middelste beschermkap en de binnenkap.

Controleer de radiator op lekken en beschadigingen. Verwijder insecten, modder en ander vuil met de luchtcompressor of met water op lage druk.

Controleer de waterdarmen op beschadigingen en vervang indien nodig. Controleer of al de verbindingen goed vast zitten.

 

SECUNDAIR LUCHTTOEVOERSYTEEM

Breng de benzinetank in de onderhoudsstand;

Controleer het secundair luchtinjectie systeem met name de lucht darmen op beschadiging of losse verbindingen. Zie dat de darmen niet platgedrukt zijn.

 

EINDOVERBRENGINGSOLIE  (CARDAN)

OLIEPEILCONTROLE

Plaats de motor op de middenstandaard.

Verwijder de olievuldop van de cardan.

Controleer dat de olie gelijk staat met de onderkant van het vulgat.

 

AANBEVOLEN OLIE: Hypoide tandwielolie, SAE  80

Gebruik een nieuwe O -ring en smeer deze in met vet.

Plaats de olievuldop terug en draai vast:

 

Aandraaimoment: 12 Nm

 

OLIE VERVANGEN

Verwijder de olievuldop en de olieaftapdop uit de cardan.

Als de olie volledig is weg gelopen, reinig de aftapdop en plaats de dichtingsring.

Draai de aftapdop terug vast.

 

Aandraaimoment: 20 Nm

 

Vul de cardan met de aanbevolen olie tot de onderste rand van het vulgat.

 

Oliehoeveelheid:

            155 cm³ na aftapping

            175 cm³ na demontage

 

REMOLIE

Wanneer het oliepijl laag is, controleer de remblokjes op slijtage. Een laag oliepijl duidt op versleten remblokjes. Is dat niet zo controleer het remsysteem op lekken.

VOORREM

Draai het stuur naar links zodat het reservoir zichtbaar is en controleer de remolie in het reservoir. Als het peil lager is dan het laagste peilstreepje kijk na of de remblokjes niet versleten zijn.

ACHTERREM

Verwijder:       

·        Rechter zijkoffer

·        Rechter zijdeksel

Plaats de motor op een vlakke ondergrond.

Controleer het oliepeil in het reservoir.

Als het peil lager is dan het laagste peilstreepje kijk na of de remblokjes niet versleten zijn.

AANBEVOLEN REMOLIE:  HONDA DOT 4  (Geen mix)

REMBLOKJES

VOORSTE REMBLOKJES

Controleer de remblokjes op slijtage. Vervang de remblokjes als er één van de remblokjes tot de inkeping zijn versleten. Steeds beide remblokjes als set vervangen.

 

 

ACHTERSTE REMBLOKJES

Controleer de remblokjes op slijtage. Vervang de remblokjes als er één van de remblokjes tot de inkeping zijn versleten. Steeds beide remblokjes als set vervangen.

REMSYSTEEM

 

INSPECTEREN

Dit model is uitgerust met een dubbel gecombineerd remsysteem.

Controleer de voor - en achterrem werking als volgt:

Plaats de motor op de middenstandaard en de versnelling in neutraal.

Duw de linker voorrem kaliber opwaarts met de hand.

Wees zeker dat het achterwiel niet draait terwijl de linker voorrem kaliber wordt naar voren geduwd.

 

 

Til de motor op zodat het voorwiel van de grond komt.

Duw op het achter rempedaal. Wees zeker dat het voorwiel niet ronddraait

 

Druk stevig op het rempedaal en trek stevig aan de remhendel om te controleren of er geen lucht in het remsysteem zit.

Indien de remhendel of pedaal soft op sponzig aanvoelt bij bediening moet men het systeem ontluchten.

 

Controleer de remleiding op eventuele lekkage. Controleer de slangen en koppelstukken op veroudering of scheuren.Vervang indien nodig.

Ontluchten zie hierna.

 

REMHENDEL AFSTELLEN

Draai aan de verstelknop terwijl u de remhendel naar voor duwt.

Zorg er voor dat de indexmarkering op de remhendel op één lijn staat met de getallen op de verstelknop.

Probeer de remmen, laat de hendel los en laat vervolgens het wiel draaien om te controleren of dit soepel gaat. Herhaal deze procedure een paar keer.

 

 

REMPEDAAL HOOGTE AFSTELLING

Los de tegenmoer en draai aan de regelvijs tot de rempedaal de juiste hoogte heeft bekomen.

 

REMLICHTSCHAKELAAR

De voorste remlichtschakelaar behoeft geen afstelling.

Stel de achterste remlichtschakelaar zo af dat de stoplichten beginnen te branden bij een kleine verplaatsing van het pedaal.

Indien afstelling nodig hou de schakelaar vast en draai aan de afsteller. Draai niet aan de schakelaar.

 

KOPPELINGSSYSTEEM / KOPPELINGSOLIE

NOTA:

·        mix geen verschillende soorten olie.

·        Spat geen olie op geverfde onderdelen. Dek alles zeer goed af.

Indien het oliepeil laag is, controleer heel het systeem op lekken.

Draai het stuurwiel naar rechts en controleer het oliepeil door het kijkglas.

Druk een paar maal op de koppelingshendel om te controleren dat er geen lucht in het systeem aanwezig is. Als de vrije speling van de koppelingshendel te groot wordt en de motorfiets kruipt of slaat af wanneer er in versnelling wordt geschakeld, of als de koppeling slipt is er waarschijnlijk lucht in het systeem.

Als de koppelingshendel soft of sponzig aanvoelt tijdens de werking moet er ontlucht worden.

Controleer de koppelingsslangen en verbindingen op lekkage. Zet alle losse verbindingen vast.

Vervang slangen en verbindingen indien nodig.

Aanbevolen olie: Honda DOT 4 remolie

 

ZIJSTANDAARD

 

Voer de volgende onderhoudswerkzaamheden uit:

·        Inspecteer de veer op beschadiging of spanningsverlies, en de zijstandaard op vrije beweging.

·        Controleer de ontstekingsbeveiliging:

o       Ga op de motor zitten, klap de zijstandaard op en zet de transmissie op neutraal.

o       Start de motor, trek de koppeling in en schakel in versnelling.

o       Breng de zijstandaard omlaag. Wanneer de zijstandaard wordt uitgezet moet de motor stil vallen.

o       Als het zijstandaard systeem niet op de beschreven manier werkt zie blz. 22-27 in het werkplaatshandboek.

 

VERING

INSPECTIE VOORVERING

Controleer de actie van de voorvork door de voorste rem in te drukken en te drukken op het stuurwiel.

Controleer de voorvorken op eventuele lekken of beschadigingen.

Vervang beschadigde delen.

 

INSPECTIE ACHTERVERING

Zet de motor op de middenstandaard met achterwiel van de grond.

Hou de swingarm vast en beweeg het achterwiel zijwaarts met kracht om te zien of de axiale lagers niet versleten zijn.

Controle van de lagers van de swingarm door de achterste swingarm vast te houden en zijwaarts te bewegen.

Versleten lagers moeten vervangen worden.

Controleer de actie van de schokdempers door op het zadel te drukken op en neer.

Controleerde achterste schokdemper op eventuele lekken.

 

AFSTELLING ACHTERVERING

De afstelknop voor de veer-voorbelasting heeft 35 of meer standen voor verschillend rijgewicht en verschillende rijomstandigheden.

 

Om de veer-voorbelasting in te stellen, draait u de afstelknop.

Verminderen(LOW):

Draai de afsteller linksom naar LOW bij lichtere belasting en goede wegen.

Vermeerderen(HIGH):

Draai de afsteller rechtsom naar HIGH bij zwaardere belasting en slechte wegen.

 

Instellen op de standaard positie:

Draai de afstelknop naar links tot hij niet verder kan (lichte stuit). Dit is de zachtste LOW instelling. Draai nu de afstelknop 7 klikjes naar rechts. In die stand moet het uiteinde van de afstelknop precies tegenover het aanwijsstreepje staan.

 

De achterschokdemper bevat een dempingseenheid die werkt met stikstofgas onder hoge druk. Deze mag niet gedemonteerd worden en behoeft ook geen onderhoud. Bij beschadiging moet deze vervangen worden.

 

MOEREN, BOUTEN, BEVESTIGINGSDELEN

Controleer dat alle bouten en moeren van het chassis vast staan met de gepaste momenten.

  

WIELEN / BANDEN

 

Bandendruk moet gemeten worden met koude banden.

Aanbevolen bandendruk:

·        Voor: 2,9 bar

·        Achter:2,9 bar

 

Bandenmaten:

·        Voor: 120/70 ZR 18 M/C (49W)

·        Achter: 170/60 ZR 17 M/C (72W)

 

Bandenmerk:

Bridgestone :            Voor: BT020F F                    Achter: BT020R F

Dunlop:                      Voor: D220FST L                 Achter: D220ST L

 

 

Controleer de banden op beschadiging of nagels en dergelijke.

Meet de sleetgrens van de banden voor en achter:

Minimale diepte = 1,5 mm      

 

 

BALHOOFDLAGERS

Nazicht draaibaarheid van het stuurwiel door er aan te draaien en zien of er geen kabels ergens tegen komen.

Bok de motor op met het voorwiel van de grond.

Als het stuurwiel ongelijkmatig beweegt of verticaal beweegt moeten de balhoofdlagers worden nagekeken. Zie blz. 15-31 in het werkplaatshandboek.

 

REMBLOKJES VERVANGEN

VOORSTE REMBLOKJES VERVANGEN

NOTA:

Na de remblokjes te hebben vervangen, controleer de werking van de remmen

 

Vervang de remblokjes steeds per paar.

Controleer het remoliepeil in het kijkglas, of het niet te hoog staat.

Druk de remcilinders helemaal in alvorens te beginnen.

Verwijder de rubber plug van de pad pin

Verwijder de pad pin en de remblokjes

Reinig de binnenzijde van de remkaliber en in het bijzonder rond de cilinder

Kijk goed dat de veer op haar plaats zit

Druk de nieuwe remblokjes eerst tegen de veer en monteer dan terug de pad pin

Draai de pad pin aan met een moment van 18 Nm

Plaats de rubber plug terug.

 

 

ACHTERSTE REMBLOKJES VERVANGEN

 

Vervang de remblokjes steeds per paar.

Controleer het remoliepeil in het kijkglas, of het niet te hoog staat.

Druk de remcilinders helemaal in alvorens te beginnen.

Verwijder de rubber plug van de pad pin

Verwijder de pad pin en de remblokjes

Reinig de binnenzijde van de remkaliber en in het bijzonder rond de cilinder

Kijk goed dat de veer op haar plaats zit

Druk de nieuwe remblokjes eerst tegen de veer en monteer dan terug de pad pin

Draai de pad pin aan met een moment van 18 Nm

Plaats de rubber plug terug.

 

 

REMSCHIJVEN CONTROLEREN

 

Visueel controleren of de remschijven niet beschadigd zijn of krom.

Meet de remschijfdikte.

 

Minimum dikte remschijven:

Voor:  4,0 mm

Achter: 6,0 mm

 

Vervang de remschijven indien ze dunner zijn dan voorgeschreven.

Meet de remschijven met een meetklok om te zien of ze niet krom zijn.

Maximum tolerantie:

Voor:    0.2 mm

Achter: 0.3 mm

 

            Controleer de wiellagers op speling, als de maximum tolerantie overschreden is.

            Vervang de remschijven als de wiellagers normaal zijn.

 

 

 

REMOLIEVERVANGEN / REMSYSTEEM ONTLUCHTEN

 

WAARSCHUWING

·      Vettige remblokjes reduceren de remkracht.

·      Maak vettige remblokjes met een hoogwaardig ontvettingsproduct schoon.

 

 

 

 

VOORZICHTIG

·      Ga voorzichtig  om met remvloeistof daar het plastic en geverfde oppervlakken kan beschadigen. Leg een doek over de delen waarop men zou kunnen morsen.

·      Zorg er bij het vullen steeds voor dat het reservoir horizontaal staat alvorens het deksel los te schroeven.

·      Gebruik alleen DOT 4 remvloeistof uit een gesloten blik.

·      Meng geen verschillende types van remvloeistof met elkaar.

·      Zorg ervoor dat er geen stof of water in het reservoir terecht komt.

 

 

 

 

 

 

 

 

REMOLIE AFTAPPEN

Los de ontluchtingsschroef en pomp de remhendel of rempedaal totdat er geen remvloeistof meer uit het ontluchtingsgat stroomt.

 

Voor de voorste rem, draai het stuur naar links tot dat het reservoir waterpas staat. Verwijder de schroeven, het reservoirdeksel, het afdichtplaatje en de afdichtring.

 

Voor de achterste rem, verwijder het rechter sierdeksel . Verwijder het reservoir deksel, afdichtplaat en afdichtring.

 

Verbind een purgeerdarmpje aan de ontluchtingsnippel.

REMOLIE TERUG VULLEN EN ONTLUCHTEN

 

Sluit het ontluchtingsgat af. Vul het reservoir met DOT 4 remvloeistof van een gesloten blik.

 

Sluit een purgeerdarmpje aan het ontluchtingsgat en laat het andere uiteinde in remvloeistof hangen. Het beste kan men hiervoor een doorzichtige pot nemen, zodat men de uitstromende lucht kan zien.

 

Beweeg de remhendel of pedaal enkele keren op en neer, totdat er een weinig druk voelbaar is. Een tweede persoon dient dan het ontluchtingsschroefje een weinig open te draaien (½ toer) , zodat de remvloeistof met lucht naar buiten kan stromen. De remhendel of pedaal kan daardoor volledig worden ingedrukt. Men dient de hendel of pedaal ingedrukt te houden totdat er geen lucht meer uitstroomt. Vergeet niet om tijdens het ontluchten regelmatig remvloeistof bij te voegen in het reservoir.

 

Moment ontluchtingsschroef: 6 Nm

 

VOORWIEL  DEMONTEREN/MONTEREN

 

DEMONTEREN

Til het voorwiel van de grond door een steunblok onder de motor te plaatsen.

Verwijder het spatbord

Verwijder de remklauwen

Verwijder de twee schroeven langs links en rechts onderkant van de vorkpoten

Draai de moer van het wiel los en trek de vooras eruit.

MONTEREN

Plaats het wiel tussen de vorkpoten en steek de vooras van af de linkerzijde door de linker vorkpoot en de wielnaaf naar binnen.

Monteer de remschijf voorzichtig tussen de remblokken om beschadiging van de blokken te voorkomen.

Bevestig de bouten en draai ze met de voorgeschreven momenten aan:

As bout 78 Nm

Bevestigingsbouten van rechterklauw 31 Nm

Inbusbouten van linker klauw 31 Nm

Meet aan beide kanten de ruimte tussen de remschijf en de klauwhouder met een voelermaat van 0,7 mm

Als de voelermaat makkelijk in de ruimte past, haal hem er dan uit en draai de klembouten vast met een aanhaalmoment van 22 Nm

Indien de voelermaat niet makkelijk in de ruimte past, draai dab de linker klembout ietsjes losser en duw de linker vork naar buiten of naar binnen om  de ruimte aan te passen. Draai vervolgens de klembouten van de as weer vast.

Na montage de remmen controleren op hun goede werking, kijken of het wiel vrij kan ronddraaien en opnieuw de ruimte tussen de schijven en de klauwhouder controleren.

Ook het rempedaal controleren (DCBS)

 

ACHTERWIEL DEMONTEREN/MONTEREN

 

Verwijder het spatbord

Verwijder de remklauw

Draai de wielbout los en verwijder het wiel.

 

Montage gebeurd in omgekeerde volgorde

Alvorens het achterwiel terug te monteren breng een beetje molybdeen pasta aan op het tandwiel dat in de cardankoppeling schuift.

 

Moment moeren achterwiel 108 Nm

Remklauw bouten 69 Nm

Na montage de remmen controleren op hun goede werking en kijken of het wiel vrij kan ronddraaien.

 

MOTOR START NIET OF START SLECHT

1. Inspecteer de bougies

    Verwijder de bougies en inspecteer ze

    Zijn de bougies in goede staat ?

NEEN -  slechte warmte eigenschappen bougies

                        -  slechte bougie opening

                        -  vuile luchtfilter

JA       - Ga naar stap 2

2. Vonk test

    Doe een vonktest

    Zijn de vonken goed ?      

            NEEN - Foute bougie

                        - Losse of slecht aangesloten ontstekingskabels

                        - Slechte ontsteking

- Gebroken of kortgesloten bougiekabel

- Fout in ontsteking puls generator

- Slechte motor stop schakelmaar

- Fout in ontstekingsschakelaar

- Fout in de motor controle module

           

JA       - Ga naar stap 3

 

3. Benzine injectiesysteem controleren

    Controleer het injectiesysteem   

    Is het injectiesysteem normaal ?

            NEEN - Fout in het injectiesysteem  (zie origineel werkplaatshandboek 5-71 of ga naar dealer)

            JA       - ga naar stap 4

4. Inspecteer de cilinder compressie

    Meet de compressie

    Is de compressie normaal ?

            NEEN - Klep kapot

                        - versleten cilinder of versleten zuigerveren

                        - beschadigde cilinderkoppakking

                        - slechte klep timing                

            JA       - Ga naar stap 5

5. Motor start condities

    Start de motor volgens de normale procedure

    Maar de motor start even en valt dan stil ?

            JA       - Lek in gaskamer insulator

                        - Niet correcte ontstekingsvolgorde

-         Vuile benzine